Het Bisschoppelijk Zegel
Zijne Hoogwaardige ExcellentieGarland F. Byers, Jr., J.D., D.D.
Bisschop voor de Volkeren, onder Apostolische Opdracht
Het zegel is het persoonlijke teken van de bisschop. Het wordt geplaatst op zijn brieven, zijn geschriften en zijn documenten, en het staat aan het hoofd van deze bediening van het Evangelie door het geschreven woord.
Een eigen zegel behoort sinds lang tot het ambt van bisschop. Al in de vroege eeuwen zegelden christenen met zegelringen die christelijke zinnebeelden droegen; Clemens van Alexandrië, die omstreeks het jaar 200 n.Chr. schreef, raadde de gelovigen aan dat hun zegels “een duif, of een vis, of een schip dat voor de wind voortsnelt, of een muzikale lier … of een scheepsanker” zouden dragen.1 In de twaalfde eeuw was het in de gehele Kerk vaste gewoonte dat bisschoppen een eigen zegel voerden.2 Zo’n zegel toont in beelden wat voor de bisschop het belangrijkste is, en het brengt hem dat gedurende zijn gehele bediening in herinnering.
Zo is het ook met dit zegel. Elk element erop heeft voor de bisschop een persoonlijke betekenis in zijn eigen roeping tot Christus. Er ligt een geschiedenis achter; die geschiedenis wordt hier niet verteld, maar zij is de bisschop bekend en is de zijne. De betekenis van elk element wordt hieronder uiteengezet, met de Schriftplaatsen waarop het berust.
Het gouden kruis
In het midden van het zegel staat het kruis van Jezus Christus. Daar heeft Hij over de dood getriomfeerd en het eeuwige leven verworven voor allen die in Hem geloven. Door Zijn lijden, kruisiging, dood en opstanding heeft Hij de schuld van de zonde betaald die sinds de zondeval van de mens in de hof van Eden aan God verschuldigd was.
“Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.”Romeinen 5:12
“Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.”1 Petrus 2:24
Het kruis is het teken van die overwinning. Daaraan heeft Christus uitgewist “het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, … hetzelve aan het kruis genageld hebbende; En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd” (Kolossenzen 2:14–15). De belofte van het kruis is leven zonder einde: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe” (Johannes 3:16).
Het kruis verkondigt ook dat wie in Hem geloven die overwinning reeds hebben behaald:
“Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? … Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.”1 Korinthe 15:55, 57
Zij zullen met Hem voor eeuwig heersen in Zijn Koninkrijk: “Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen” (2 Timotheüs 2:12), en “zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid” (Openbaring 22:5).
Het kruis is van goud om te tonen dat het de christen reinigt. Het bloed van Jezus is als een louterend vuur: “het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde” (1 Johannes 1:7). Zoals goud in het vuur wordt gelouterd, zo wordt de christen gereinigd van alle zonde. Van de Heere staat geschreven: “Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid, … En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver” (Maleachi 3:2–3).
Soms worden christenen geconfronteerd met beproevingen en verdrukkingen. Deze moeten worden gezien als goud dat in het vuur wordt beproefd, opdat zij die tot aan het kruis getrouw blijven, het eeuwige leven mogen hebben:
“In welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus.”1 Petrus 1:6–7
“Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.”Job 23:10
De Heere Zelf geeft deze raad: “Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden” (Openbaring 3:18). Hij belooft de getrouwen: “Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens” (Openbaring 2:10).
De lichtstralen
De lichtstralen die van achter het kruis schijnen, betekenen dat het kruis het licht der wereld is. De Heere zei: “Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben” (Johannes 8:12).
De stralen betekenen ook dat wie Christus volgen, kinderen van het licht zijn. “Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij kinderen des Lichts moogt zijn” (Johannes 12:36). “Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis” (1 Thessalonicenzen 5:5). “Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts” (Efeze 5:8).
Christenen moeten een lamp voor de wereld zijn, ieder van hen een straal van dat licht:
“Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn. Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een koornmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn; Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.”Mattheüs 5:14–16
Dat doen zij door de tegenwoordigheid van de Heilige Geest te ontvangen en de Geest in hen door hun leven heen te laten stralen. Dan straalt het licht van de waarheid uit hun leven, en wordt dat leven een levend offer: “Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst” (Romeinen 12:1). Dan kunnen anderen de christenen aanzien en zien dat zij anders zijn, “onberispelijk en oprecht …, kinderen Gods zijnde, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke gij schijnt als lichten in de wereld” (Filippenzen 2:15). Christenen zijn het licht der wereld omdat zij het Licht der wereld volgen, de mens Jezus Zelf, Die de Christus is.
De Heilige Bijbel
De Heilige Bijbel is de regel en richtsnoer van het geloof, het onfeilbare woord van God:
“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.”2 Timotheüs 3:16–17
Hij is de christen gegeven om als zwaard te worden gebruikt, “het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord” (Efeze 6:17):
“Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten.”Hebreeën 4:12
Zo hanteerde de Heere Zelf het. Toen Jezus in de woestijn werd weggeleid “om verzocht te worden van den duivel”, beantwoordde Hij elke verzoeking met het geschreven woord:
- “Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.” (Mattheüs 4:4)
- “Er is wederom geschreven: Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.” (Mattheüs 4:7)
- “Ga weg, satan, want er staat geschreven: Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.” (Mattheüs 4:10)
Toen liet de duivel van Hem af (Mattheüs 4:11).
De Heilige Bijbel is de maatstaf waarnaar de christen zijn leven leidt: “Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad” (Psalm 119:105); “Uw woord is de waarheid” (Johannes 17:17). Hij staat voor eeuwig vast: “O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen” (Psalm 119:89); “De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan” (Mattheüs 24:35).
Hij legt voor alle tijden vast hoe de gelovige het eeuwige leven kan verkrijgen: “Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam” (Johannes 20:31). En hij verheerlijkt God en Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere en Heiland Jezus Christus: “Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen” (Johannes 5:39).
De bliksem
De lichtstromen die van de Heilige Bijbel uitgaan en zich om de draak en de wereld slingeren, zijn bliksemschichten. Zij gaan uit van het woord van God en verwonden de draak. Het woord van God is de machtigste kracht in het heelal: “Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?” (Jeremia 23:29). De Schrift spreekt van de bliksem van de Heere die tegen Zijn vijanden uitgaat: “Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze” (Psalm 18:15); “Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen” (Psalm 144:6).
Wanneer de christen het woord van God spreekt, is dat pijnlijk voor de vijand en treft het hem als een bliksemschicht. Toen de zeventig met blijdschap terugkeerden, zeggende dat “ook de duivelen zijn ons onderworpen, in Uw Naam”, antwoordde de Heere:
“Ik zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen. Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen.”Lukas 10:18–19
De bliksem treft de draak zelf, “de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt” (Openbaring 12:9), en hij treft hen die hem volgen. Hij treft in het geestelijke rijk, “want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht” (Efeze 6:12), en overal in de wereld waar hij werkt. Zo hebben de heiligen “hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis” (Openbaring 12:11), en zo is aan iedere gelovige beloofd: “wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden” (Jakobus 4:7).
De draak
De draak is het zinnebeeld van satan, die de Schrift vaak de draak noemt: “En hij greep den draak, den oude slang, welke is de duivel en satanas” (Openbaring 20:2).
Hij ligt om de wereld gekronkeld omdat de Schrift vermeldt dat hij de god van deze wereld is: “de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is” (2 Korinthe 4:4). De Heere noemde hem “de overste dezer wereld” (Johannes 12:31), en de apostel Johannes schreef dat “de gehele wereld ligt in het boze” (1 Johannes 5:19). Hij houdt deze gevallen wereld veel meer in zijn greep dan de christen weet of begrijpt. Sinds de zondeval in de hof van Eden reikt zijn kwade invloed tot in alles wat de christen dag aan dag ontmoet. Hij is “den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid” (Efeze 2:2), en “uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden” (1 Petrus 5:8).
De draak richt zich op naar het kruis om de openlijke uitdaging van de duivel aan het woord van God te tonen. Het toont zijn verwerping van God, van Zijn Christus en van al wat heilig is, en zijn onverholen voornemen zich te verzetten tegen alles wat God sinds het begin der tijden in gang heeft gezet. Bovenal toont het zijn voornemen de mensheid te vernietigen, die geschapen is naar het beeld en de gelijkenis van God: “En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze” (Genesis 1:27). Van hem zei de Heere: “die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem” (Johannes 8:44). “En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben” (Openbaring 12:17).
Hij volhardt in die uitdaging, met zijn afvallige heirschaar en de boze mensen in de wereld die hem volgen, totdat hij in de poel des vuurs wordt geworpen, samen met al zijn volgelingen, zoals het boek Openbaring vermeldt:
“En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.”Openbaring 20:10
“Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.”Mattheüs 25:41
De wereldbol
De wereldbol heeft een eigen betekenis, los van de draak die zich eromheen kronkelt. Hij is de aarde, Gods schepping. Toen God Zijn werk had voltooid, “zag God al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed” (Genesis 1:31).
De aarde is de mens bij goddelijk mandaat gegeven:
“En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!”Genesis 1:28
“Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.”Psalm 115:16
De mens verspeelde die heerschappij toen hij in de hof van Eden God ongehoorzaam was en van de verboden vrucht at: “zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt” (Genesis 3:17).
Christus gebiedt Zijn volgelingen Hem te gehoorzamen: “Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden” (Johannes 14:15). Hij zond Zijn apostelen uit tot alle volken:
“Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.”Mattheüs 28:19
Hij zond hen uit opdat deze wereld verlost zou worden en weer met God in het reine gebracht, waarbij de mens heerschappij uitoefent over de aarde zoals God het oorspronkelijk bedoeld had. Want “ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods” (Romeinen 8:21).
Het Onze Vader spreekt hiervan: “Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde” (Mattheüs 6:10). In deze woorden verklaart Jezus Zelf dat God wil dat de aarde hersteld wordt in de orde die Hij oorspronkelijk bedoeld had. Haar herstel betekent dat de duivel, satan, verslagen is door het woord van God en door het offer van onze Heere en Heiland Jezus Christus. Dan geldt: “De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid” (Openbaring 11:15). De verlosten zullen zeggen: “en wij zullen als koningen heersen op de aarde” (Openbaring 5:10).
Dit zinnebeeld op het zegel herinnert iedere christen aan de plicht het Koninkrijk van God op aarde openbaar te maken. Jezus predikte: “Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen” (Mattheüs 4:17), en Hij zond Zijn discipelen uit om te zeggen: “Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen” (Lukas 10:9). Waar Jezus tegenwoordig is, daar is het Koninkrijk tegenwoordig. Zo zal het zijn op de dag van Zijn triomf over de draak, wanneer de mens opnieuw heerschappij uitoefent over de aarde zoals God het oorspronkelijk bedoeld had.
De stormwolken en de woeste wateren
De stormwolken staan voor de wind, die hier de Heilige Geest is. De Heere Zelf vergeleek de Geest met de wind: “De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is” (Johannes 3:8). Op het Pinksterfeest kwam de Geest “gelijk als van een geweldigen, gedreven wind” (Handelingen 2:2). In het begin “zweefde de Geest Gods op de wateren” (Genesis 1:2).
Wanneer de christen het woord van God gebruikt en de bliksem de slang en zijn volgelingen in de geest treft, beweegt de Heilige Geest Zich als een heilige wind en een storm. Die beweging doet de wateren van de aarde zelf opschudden, want “de stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren” (Psalm 29:3). De gehele aarde wordt geraakt door het geloof van de gelovige in het woord van God en door zijn gebruik ervan als zwaard. Wanneer het recht wordt gebruikt, beweegt de Heilige Geest Zich in heerlijkheid, kracht en heerschappij. Zo was het bij de vroege Kerk: “En als zij gebeden hadden, werd de plaats, in welke zij vergaderd waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid” (Handelingen 4:31).
De stormwolken en de woeste wateren geven antwoord aan de christen: op zijn gebruik van het woord van God, en op zijn aanroepen van de Heilige Geest in het geloof in Jezus Christus, onze Heere en Heiland. De Heere Zelf “bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte”, en Zijn discipelen vroegen: “Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?” (Markus 4:39, 41). Hij beloofde dezelfde macht aan hen die geloven:
“Want voorwaar zeg Ik u, dat, zo wie tot dezen berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen; en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven hetgeen hij zegt, geschieden zal, het zal hem geworden, zo wat hij zegt.”Markus 11:23
Hoewel dus gezegd wordt dat de wereld onder de macht van de duivel ligt, triomfeert het woord van God. Het geeft de christen gezag over wat de mens bij de zondeval in de hof van Eden aan satan heeft afgestaan. Door het woord van God, door het kostbare bloed en het offer van Jezus Christus, en door Zijn gezag wordt de gelovige hersteld in zijn rechtmatige plaats. Wanneer hij het goddelijke woord van de Schrift spreekt, antwoordt de aarde zelf, en de Heilige Geest is het middel van dat antwoord. De Geest geeft kracht aan het gebed van de christen: “de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen” (Romeinen 8:26). De Geest geeft ook kracht aan zijn bevelen in de Geest, zelfs over wat verspeeld was, zo groot is de heerlijkheid van Jezus Christus, onze Heere en Heiland: “Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen” (Johannes 14:14).
De Schrift vermeldt de eigen woorden van de Heere: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde” (Mattheüs 28:18). Wie in Christus geloven, krijgen toegang tot die macht door het kostbare bloed van het Lam en door hun geloof in Hem.
De kleuren: het blauwe veld en de gouden rand
Het blauwe veld is de hemel. Sinds het begin heeft de mens opgezien naar de hemel wanneer hij tot God sprak: “Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit” (Psalm 123:1). De Heere leerde Zijn discipelen bidden: “Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd” (Mattheüs 6:9).
Het blauw staat voor de hemelse gewesten die de christen in gebed en smeking betreedt. Het is de plaats van Gods troon: “Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten” (Jesaja 66:1). Die troon is voor de christen onzichtbaar en onkenbaar, maar toch ziet hij er in geloof door Christus Jezus naar uit, “want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen” (2 Korinthe 5:7). Hij komt “met vrijmoedigheid … tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd” (Hebreeën 4:16).
“De verborgene dingen zijn voor den HEERE, onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid” (Deuteronomium 29:29). De mens is genoeg kennis gegeven om zijn zaligheid zeker te stellen. Die komt door het geschreven woord van de Heilige Bijbel, de “heilige Schriften …, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is” (2 Timotheüs 3:15). Zij komt ook door de onderwijzing, de lering en het voorbeeld van onze Heere en Heiland Jezus Christus.
Wanneer de christen zijn hart in gebed opheft, stijgt het op naar de hemel, naar het blauw dat voor de hemelse gewesten staat: “Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel” (Klaagliederen 3:41). “Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer” (Psalm 141:2). “En de rook des reukwerks, met de gebeden der heiligen, ging op van de hand des engels voor God” (Openbaring 8:4).
De gouden rand spreekt van de reiniging van de christen, zoals hierboven bij het gouden kruis is uiteengezet. Het geloof in Jezus Christus en in de kracht van Zijn bloed is een louterend vuur dat de mens loutert, zoals goud in het vuur wordt gelouterd. “En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren” (Zacharia 13:9). Hier staat het goud voor de gelouterde christen, die volkomen gelooft in en vertrouwt op Jezus Christus, “Koning der koningen, en Heere der heren” (Openbaring 19:16).
Het randschrift
Langs de rand loopt het randschrift “GARLAND F. BYERS, JR. ✠ EPISCOPUS”. De naam kenmerkt het zegel als het eigen zegel van de bisschop. Episcopus is het Latijnse woord voor bisschop. Het komt van het Griekse episkopos, “opziener”, het woord dat de heilige Paulus gebruikte toen hij de ouderlingen van Efeze vermaande:
“Zo hebt dan acht op uzelven en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.”Handelingen 20:28
Samen betekenen de naam en de titel dat de bisschop deelneemt aan de geestelijke strijd die dagelijks wordt gevoerd: “Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten” (2 Korinthe 10:4). Hij is een lid van Gods regering, gewijd tot het ambt van bisschop, en belast met de opdracht de ware leer te verkondigen en niet te zwijgen. Want “een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger Gods, … Die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leer, en om de tegensprekers te wederleggen” (Titus 1:7, 9).
Zwijgen zou als zonde worden aangerekend: “Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde” (Jakobus 4:17). De Heere waarschuwde de wachter die het zwaard ziet komen en niet met de bazuin blaast: “zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen” (Ezechiël 33:6). De heilige Paulus zei: “wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig!” (1 Korinthe 9:16).
Het randschrift doet denken aan de gelijkenis van de talenten (Mattheüs 25:14–30). Een heer vertrouwde vóór een reis zijn goederen toe aan zijn dienstknechten, en twee van hen handelden ermee en verdubbelden wat hun gegeven was. Tot ieder van hen zei de heer: “Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren” (Mattheüs 25:21). De derde verborg zijn talent in de aarde, en de heer antwoordde hem: “Gij boze en luie dienstknecht!” (Mattheüs 25:26). De gelijkenis herinnert de bisschop aan zijn plechtige verplichting:
- het Evangelie van Jezus Christus te spreken zoals hij het verstaat;
- op te komen voor wat recht en rechtvaardig is in de ogen van God; en
- een goede en getrouwe dienstknecht te zijn van onze Heere en Heiland Jezus Christus.
De bisschop weet niet waarom hij geroepen is. Hij weet alleen dat hij geroepen is, en dat feit alleen bekleedt hem met gezag en verantwoordelijkheid. “Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve” (Johannes 15:16). “Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk” (Romeinen 11:29). Van wie veel gegeven is, wordt veel gevraagd: “En een iegelijk, wien veel gegeven is, van dien zal veel geëist worden” (Lukas 12:48).
De kleine kruisen bij de naam van de bisschop en het woord Episcopus betekenen dat hij een bisschop van het kruis is, een bisschop in de Kerk van onze Heere en Heiland Jezus Christus. Zij tonen hoe zowel zijn naam als zijn ambt in betrekking tot Christus staan. “Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld” (Galaten 6:14). De bisschop is trouw verschuldigd aan Christus, en aan God, boven alle dingen. De kruisen staan voor die gehoorzaamheid, die aan God alleen verschuldigd is:
“Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij.”Lukas 9:23
“Niemand kan twee heren dienen.”Mattheüs 6:24
“Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen.”Handelingen 5:29
De wapenspreuk
De wapenspreuk Euntes in Mundum Universum, “Gaande in de gehele wereld”, staat in het goud van het zegel. Zij staat in goud omdat de bisschop, naar behoren gewijd, gelouterd is door het vuur van de Heilige Geest en de heilige wijdingen heeft ontvangen. Die wijdingen bekleden hem nu met een verantwoordelijkheid om het Evangelie te verbreiden die veel zwaarder weegt dan wat hij voorheen droeg. Dat vuur wordt opnieuw ontstoken bij elke sacramentele handeling die hij verricht. Zoals de heilige Paulus aan Timotheüs schreef: “dat gij opwekt de gave Gods, die in u is, door de oplegging mijner handen” (2 Timotheüs 1:6).
De woorden zijn het mandaat van de apostelen en van hun opvolgers, de bisschoppen. Zij zijn het eigen gebod van Christus:
“Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.”Markus 16:15
Het woord van God en het Evangelie van Jezus Christus moeten worden gepredikt en toegankelijk gemaakt voor alle volken der wereld: “En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken” (Mattheüs 24:14). Daarom draagt de bisschop de titel Bisschop voor de Volkeren. Het mandaat van Christus in Markus 16:15 vraagt van ieder die tot Zijn dienst geroepen is, heen te gaan in de gehele wereld en het Evangelie aan alle schepselen te prediken.
In vroegere tijden betekende dit lichamelijk aanwezig zijn: reizen, uitgaan en het woord van God verbreiden. In de huidige tijd betekent het voor de bisschop ook het woord van God en de ware leer te schrijven en te publiceren en beschikbaar te stellen op het World Wide Web, zodat alle volken het kunnen lezen als zij dat verkiezen. “Schrijf het gezicht, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt” (Habakuk 2:2). “En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?” (Romeinen 10:14).
Het woord van God en Jezus Christus aannemen is een persoonlijke keuze, en die mag niemand worden opgedrongen. “Kiest u heden, wien gij dienen zult” (Jozua 24:15). “En die wil, neme het water des levens om niet” (Openbaring 22:17). De Heere zegt: “Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde” (Openbaring 22:11).
Het is het werk en de taak van de bisschop het woord van God en het Evangelie van Jezus Christus voor te houden aan gelovigen en ongelovigen gelijkelijk. Bij de gelovige kan het geloof opnieuw worden aangewakkerd, versterkt en gegrondvest, zoals de Heere Petrus opdroeg: “gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders” (Lukas 22:32). De ongelovige kan het tot geloof brengen in Jezus Christus, de Heere en Koning: “Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods” (Romeinen 10:17).
Noten
1Clemens van Alexandrië, De Opvoeder (Paedagogus), boek 3, hoofdstuk 11.
2Encyclopædia Britannica, s.v. “sigillography”.

Euntes in Mundum Universum: “Gaat heen in de gehele wereld” (Markus 16:15, Statenvertaling).