“De wet is het wapen van de koning”
Zijne Hoogwaardige Excellentie*Garland F. Byers, Jr., J.D., D.D.‡
Bisschop voor de Volkeren, onder Apostolische Opdracht
Er staat geschreven dat satan de koning en god van deze wereld is.1 Satan verzocht Jezus door Hem te zeggen dat hij Hem heerschappij over de koninkrijken der aarde zou geven, als Jezus Zich slechts zou neerbuigen en hem aanbidden.2 Onze Heer weigerde, uiteraard, in Zijn gerechtigheid, maar betwistte desondanks niet dat satan de macht had om Hem precies te geven wat werd beloofd.3 Daarom heeft satan niet alleen geestelijke macht en gezag, slechts voor zover God dit toelaat en vergunt,4 maar heeft hij ook macht in de stoffelijke wereld en gezag door hen die hem volgen met een verdorven gemoed, een boos hart en een begeerte naar macht.5 Deze menselijke handlangers van de hel gebruiken de wet als wapen tegen de Kerk en de gelovigen, en maken wat ten goede bedoeld is tot een werktuig van het kwaad.6 Dit project wijst gevallen aan waarin dit in het verleden is gebeurd, op dit moment gebeurt, of in de onmiddellijke toekomst op het punt staat te gebeuren. Door de wet kan de duivel de mensheid tot slavernij brengen zonder dat er één enkel schot uit een geweer wordt gelost.7 Voorwaar, wereldwijde slavernij is voor de eindtijd geprofeteerd.8 In zo’n geval is er in de stoffelijke wereld geen oorlog nodig, want de oorlog heeft al plaatsgevonden in het geestelijke rijk en openbaart zich slechts in het stoffelijke rijk (de aarde) door de ondertekening van een wet met een pen.9 Is de wereldlijke wet eenmaal gevestigd, of die wet nu de aanbidding van Christus verbiedt, de samenkomst van mensen in de Naam van Christus, of de middelen waardoor mensen vrij kunnen blijven door hun van God gegeven recht om zich tegen tirannie te verdedigen,10 dan is die wet zonder een wonder zeer moeilijk te veranderen.11 Daarom zijn gebed, kerkgang en dienst aan God van zo levensbelang.12
Eindnoten
1“In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is.” 2 Korinthe 4:4 (Statenvertaling). “Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden.” Johannes 12:31 (Statenvertaling). “Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.” Johannes 14:30 (Statenvertaling). “En van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is.” Johannes 16:11 (Statenvertaling). “In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid…” Efeze 2:2 (Statenvertaling). “Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat de gehele wereld ligt in het boze.” 1 Johannes 5:19 (Statenvertaling). “En zij hadden over zich tot een koning den engel des afgronds; zijn naam was in het Hebreeuws Abaddon, en in de Griekse taal had hij den naam Apollyon.” Openbaring 9:11 (Statenvertaling). ↩︎
2“Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid; En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden. Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.” Mattheüs 4:8–10 (Statenvertaling). “En als Hem de duivel geleid had op een hogen berg, toonde hij Hem al de koninkrijken der wereld, in een ogenblik tijds. En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid derzelver koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wien ik ook wil; Indien Gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles Uw zijn. En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: Gij zult den Heere, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen.” Lukas 4:5–8 (Statenvertaling). ↩︎
3“En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid derzelver koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wien ik ook wil…” Lukas 4:6 (Statenvertaling). “…Ga weg, satan, want er staat geschreven: Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.” Mattheüs 4:10 (Statenvertaling). “Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden.” Johannes 12:31 (Statenvertaling). “Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.” Johannes 14:30 (Statenvertaling). “Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat de gehele wereld ligt in het boze.” 1 Johannes 5:19 (Statenvertaling). ↩︎
4“En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.” Job 1:12 (Statenvertaling). “En de HEERE zeide tot den satan: Zie, hij zij in uw hand, doch verschoon zijn leven.” Job 2:6 (Statenvertaling). “…Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.” Lukas 22:31–32 (Statenvertaling). “Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.” 1 Korinthe 10:13 (Statenvertaling). “En hij greep den draak, den oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren; En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geeindigd zijn. En daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden.” Openbaring 20:2–3 (Statenvertaling). ↩︎
5“Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.” Johannes 8:44 (Statenvertaling). “En zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijn wil.” 2 Timotheüs 2:26 (Statenvertaling). “Gelijkerwijs nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, alzo staan ook deze de waarheid tegen; mensen, verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof.” 2 Timotheüs 3:8 (Statenvertaling). “Verkeerde krakelingen van mensen, die een verdorven verstand hebben, en van de waarheid beroofd zijn, menende, dat de godzaligheid een gewin zij. Wijk af van dezulken.” 1 Timotheüs 6:5 (Statenvertaling). “Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw wellusten, die in uw leden strijd voeren? Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt.” Jakobus 4:1–2 (Statenvertaling). “En het beest dat ik zag, was een pardel gelijk, en zijn voeten als eens beers voeten, en zijn mond als de mond eens leeuws; en de draak gaf hem zijn kracht, en zijn troon, en grote macht.” Openbaring 13:2 (Statenvertaling). ↩︎
6“Doch wij weten, dat de wet goed is, zo iemand die wettelijk gebruikt…” 1 Timotheüs 1:8 (Statenvertaling). “Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.” Romeinen 7:12 (Statenvertaling). “Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet.” Romeinen 13:4 (Statenvertaling). “Wee dengenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid!” Jesaja 5:20 (Statenvertaling). “Wee dengenen, die ongerechte inzettingen inzetten, en den schrijvers, die moeite voorschrijven; Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht der ellendigen Mijns volks te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen!” Jesaja 10:1–2 (Statenvertaling). “Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?” Psalm 94:20 (Statenvertaling).De vroege Kerk“…door de instelling van wetten een overmaat van goddeloosheid onder de volken in toom houden.” (vertaald uit het Engels) Irenaeus van Lyon, Tegen de ketterijen 5.24.2, vert. Alexander Roberts en William Rambaut, in The Ante-Nicene Fathers, red. Alexander Roberts en James Donaldson, dl. 1 (Buffalo, NY: Christian Literature Publishing, 1885). ↩︎
7“En zeide: Dit zal des konings wijze zijn, die over u regeren zal: hij zal uw zonen nemen, dat hij hen zich stelle tot zijn wagen, en tot zijn ruiteren, dat zij voor zijn wagen henen lopen; En dat hij hen zich stelle tot oversten der duizenden, en tot oversten der vijftigen; en dat zij zijn akker ploegen, en dat zij zijn oogst oogsten, en dat zij zijn krijgswapenen maken, mitsgaders zijn wapentuig. En uw dochteren zal hij nemen tot apothekeressen, en tot keukenmaagden, en tot baksters. En uw akkers, en uw wijngaarden, en uw olijfgaarden, die de beste zijn, zal hij nemen, en zal ze aan zijn knechten geven. En uw zaad, en uw wijngaarden zal hij vertienen, en hij zal ze aan zijn hovelingen, en aan zijn knechten geven. En hij zal uw knechten, en uw dienstmaagden, en uw beste jongelingen, en uw ezelen nemen, en hij zal zijn werk daarmede doen. Hij zal uw kudden vertienen; en gij zult hem tot knechten zijn. Gij zult wel te dien dage roepen, vanwege uw koning, dien gij u zult verkoren hebben, maar de HEERE zal u te dien dage niet verhoren.” 1 Samuel 8:11–18 (Statenvertaling). “Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had; Die zeide tot zijn volk: Ziet, het volk der kinderen Israels is veel, ja, machtiger dan wij. Komt aan, laat ons wijselijk tegen hetzelve handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er enige krijg voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke. En zij zetten oversten der schattingen over hetzelve, om het te verdrukken met hun lasten; want men bouwde voor Farao schatsteden, Pitom en Raamses. Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het wies; zodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen Israels. En de Egyptenaars deden de kinderen Israels dienen met hardigheid. Zodat zij hun het leven bitter maakten met harden dienst, in leem en in tichelstenen, en met allen dienst op het veld, met al hun dienst, dien zij hen deden dienen met hardigheid.” Exodus 1:8–14 (Statenvertaling). ↩︎
8“En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden; En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams.” Openbaring 13:16–17 (Statenvertaling). “En hetzelve werd macht gegeven, om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht, en taal, en volk. En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld.” Openbaring 13:7–8 (Statenvertaling). “Hij zeide aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken, en het zal de ganse aarde opeten, en het zal dezelve vertreden, en het zal ze verbrijzelen. Belangende nu de tien hoornen: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan; en dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen. En het zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, en het zal de heiligen der hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds.” Daniël 7:23–25 (Statenvertaling). “En de tien hoornen, die gij gezien hebt, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op een ure met het beest. Dezen hebben enerlei mening, en zullen hun kracht en macht het beest overgeven.” Openbaring 17:12–13 (Statenvertaling). “Want God heeft hun in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen, en dat zij enerlei mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn.” Openbaring 17:17 (Statenvertaling). “Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs; Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geeerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is.” 2 Thessalonicenzen 2:3–4 (Statenvertaling). “…over de tien koningen die dan zullen opstaan, onder wie het rijk dat nu [over de aarde] heerst, verdeeld zal worden…” (vertaald uit het Engels) Irenaeus van Lyon, Tegen de ketterijen 5.26.1, vert. Alexander Roberts en William Rambaut, in The Ante-Nicene Fathers, red. Alexander Roberts en James Donaldson, dl. 1 (Buffalo, NY: Christian Literature Publishing, 1885). “…met de tenen van de voeten bedoelde hij de koningen die uit hun midden zullen opstaan…” “…de tien tenen van het beeld staan gelijk aan (evenzovele) democratieën…” “…de tien hoorns van het vierde dier zijn verdeeld over tien koninkrijken…” (vertaald uit het Engels) Hippolytus van Rome, Over Christus en de antichrist, hfdst. 25, 27, vert. J. H. MacMahon, in The Ante-Nicene Fathers, red. Alexander Roberts en James Donaldson, dl. 5 (Buffalo, NY: Christian Literature Publishing, 1886). ↩︎
9“Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.” Efeze 6:12 (Statenvertaling). “En er werd krijg in den hemel; Michael en zijn engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen. En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in den hemel. En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.” Openbaring 12:7–9 (Statenvertaling). “Doch de vorst des koninkrijks van Perzie stond tegenover Mij een en twintig dagen; en ziet, Michael, een van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd aldaar gelaten bij de koningen van Perzie.” Daniël 10:13 (Statenvertaling).Door de ondertekening van een wet“Toen werden de schrijvers des konings geroepen, in de eerste maand, op den dertienden dag derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Haman beval, aan de stadhouders des konings, en aan de landvoogden, die over elk landschap waren, en aan de vorsten van elk volk, elk landschap naar zijn schrift, en elk volk naar zijn spraak; er werd geschreven in den naam van den koning Ahasveros, en het werd met des konings ring verzegeld.” Esther 3:12 (Statenvertaling). “Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod.” Daniël 6:10 (Statenvertaling). ↩︎
10Het verbieden van de aanbidding van Christus en van de samenkomst in Zijn Naam“Al de vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de raadsheren en landvoogden hebben zich beraadslaagd een koninklijke ordonnantie te stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek zal doen van enigen god of mens, behalve van u, o koning! die zal in den kuil der leeuwen geworpen worden.” Daniël 6:8 (Statenvertaling). “En als zij hen geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij ganselijk niet zouden spreken, noch leren, in den Naam van Jezus.” Handelingen 4:18 (Statenvertaling). “Hebben wij u niet ernstiglijk aangezegd, dat gij in dezen Naam niet zoudt leren? En ziet, gij hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van dezen Mens over ons brengen.” Handelingen 5:28 (Statenvertaling).De middelen waardoor mensen vrij kunnen blijven“En er werd geen smid gevonden in het ganse land van Israel; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreen geen zwaard noch spies maken. Daarom moest gans Israel tot de Filistijnen aftrekken, opdat een iegelijk zijn ploegijzer, of zijn spade, of zijn bijl, of zijn houweel scherpen liet. Maar zij hadden tandige vijlen tot hun houwelen, en tot hun spaden, en tot de drietandige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen der prikkelen. En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het ganse volk, dat bij Saul en bij Jonathan was; doch bij Saul en bij Jonathan, zijn zoon, werden zij gevonden.” 1 Samuel 13:19–22 (Statenvertaling). “…Maar nu, wie een buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook een male; en die geen heeft, die verkope zijn kleed, en kope een zwaard.” Lukas 22:36 (Statenvertaling). “Indien een dief gevonden wordt in het doorgraven, en hij wordt geslagen, dat hij sterft, het zal hem geen bloedschuld zijn.” Exodus 22:2 (Statenvertaling). “En ik zag toe, en maakte mij op, en zeide tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige des volks: Vreest niet voor hun aangezicht; denkt aan dien groten en vreselijken HEERE, en strijdt voor uw broederen, uw zonen en uw dochteren, uw vrouwen en uw huizen.” Nehemia 4:14 (Statenvertaling). “Die aan den muur bouwden, en die den last droegen, en die oplaadden, waren een ieder met zijn ene hand doende aan het werk, en de andere hield het geweer. En de bouwers hadden een iegelijk zijn zwaard aan zijn lenden gegord, en bouwden; maar die met de bazuin blies, was bij mij.” Nehemia 4:17–18 (Statenvertaling). “Gezegend zij de HEERE, mijn Rotssteen, Die mijn handen onderwijst ten strijde, mijn vingeren ten oorlog…” Psalm 144:1 (Statenvertaling).De vroege Kerk“Wie onheil niet van een vriend afweert, als hij dat kan, is evenzeer schuldig als hij die het veroorzaakt.” (vertaald uit het Engels) Ambrosius van Milaan, Over de plichten van de geestelijken 1.36.179, vert. H. de Romestin, in Nicene and Post-Nicene Fathers, 2e reeks, dl. 10, red. Philip Schaff en Henry Wace (New York: Christian Literature Publishing, 1896). “Want de moed, die in de oorlog het vaderland voor de barbaren bewaart, of thuis de zwakken verdedigt, of de makkers tegen rovers, is vol van gerechtigheid…” (vertaald uit het Engels) Ambrosius van Milaan, Over de plichten van de geestelijken 1.27.129, vert. H. de Romestin, in Nicene and Post-Nicene Fathers, 2e reeks, dl. 10, red. Philip Schaff en Henry Wace (New York: Christian Literature Publishing, 1896). ↩︎
11De wet der Meden en Perzen, die niet mag wederroepen worden“Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden.” Daniël 6:9 (Statenvertaling). “Toen kwamen die mannen met hopen tot den koning, en zij zeiden tot den koning: Weet, o koning! dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden.” Daniël 6:16 (Statenvertaling). “Schrijft dan gijlieden voor de Joden, zoals het goed is in uw ogen, in des konings naam, en verzegelt het met des konings ring; want het schrift, dat in des konings naam geschreven, en met des konings ring verzegeld is, is niet te wederroepen.” Esther 8:8 (Statenvertaling).Bij God zijn alle dingen mogelijk“Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad gedaan.” Daniël 6:23 (Statenvertaling). “Dat de koning den Joden toeliet, die in elke stad waren, zich te vergaderen, en voor hun leven te staan, om te verdelgen, om te doden en om om te brengen alle macht des volks en des landschaps, die hen benauwen zou, de kleine kinderen en de vrouwen, en hun buit te roven…” Esther 8:11 (Statenvertaling). “En ziet, een engel des Heeren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta haastelijk op. En zijn ketenen vielen af van de handen. En de engel zeide tot hem: Omgord u, en bind uw schoenzolen aan. En hij deed alzo. En hij zeide tot hem: Werp uw mantel om, en volg mij. En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het waarachtig was, hetgeen door den engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezicht zag. En als zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort, die naar de stad leidt; dewelke van zelve hun geopend werd. En uitgegaan zijnde, gingen zij een straat voort, en terstond scheidde de engel van hem.” Handelingen 12:7–10 (Statenvertaling). “Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.” Lukas 1:37 (Statenvertaling). “…Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.” Mattheüs 19:26 (Statenvertaling). ↩︎
12Gebed“En Mijn volk, over dewelken Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken, en zich bekeren van hun boze wegen; zo zal Ik uit den hemel horen, en hun zonden vergeven, en hun land genezen.” 2 Kronieken 7:14 (Statenvertaling). “Bidt zonder ophouden.” 1 Thessalonicenzen 5:17 (Statenvertaling). “Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt; een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel.” Jakobus 5:16 (Statenvertaling). “En Hij zeide ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen…” Lukas 18:1 (Statenvertaling). “Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.” Mattheüs 26:41 (Statenvertaling).Samenkomen“En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken; En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.” Hebreeën 10:24–25 (Statenvertaling). “En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.” Handelingen 2:42 (Statenvertaling). “En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten; En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.” Handelingen 2:46–47 (Statenvertaling). “Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.” Mattheüs 18:20 (Statenvertaling).Dienst aan God“Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!” Jozua 24:15 (Statenvertaling). “Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.” Romeinen 12:1 (Statenvertaling). “En al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere en niet den mensen; Wetende, dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient de Heere Christus.” Kolossenzen 3:23–24 (Statenvertaling).Eensgezind samen staan“Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken moge horen, dat gij staat in een geest, met een gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies…” Filippenzen 1:27 (Statenvertaling). “Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.” Psalm 133:1 (Statenvertaling). “U benaarstigende te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes. Een lichaam is het, en een Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot een hoop uwer roeping; Een Heere, een geloof, een doop, Een God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen.” Efeze 4:3–6 (Statenvertaling). “En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen. Opdat zij allen een zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons een zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.” Johannes 17:20–21 (Statenvertaling).Burgers van de hemel, vreemdelingen in deze wereld“Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus…” Filippenzen 3:20 (Statenvertaling). “Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.” Hebreeën 11:13 (Statenvertaling). “Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel…” 1 Petrus 2:11 (Statenvertaling). “Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods…” Efeze 2:19 (Statenvertaling). “Ik heb hun Uw woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben. Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze. Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld niet ben.” Johannes 17:14–16 (Statenvertaling).De goede strijd des geloofs“Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.” 1 Timotheüs 6:12 (Statenvertaling). “Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geeindigd, ik heb het geloof behouden…” 2 Timotheüs 4:7 (Statenvertaling). “Geliefden, alzo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemene zaligheid, zo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven en u te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.” Judas 3 (Statenvertaling).De vroege Kerk“Zij wonen in hun eigen landen, maar slechts als vreemdelingen. Als burgers hebben zij met anderen deel aan alle dingen, en toch verdragen zij alles alsof zij buitenlanders zijn. Ieder vreemd land is hun als hun vaderland, en ieder land van hun geboorte als een land van vreemdelingen. Zij trouwen, zoals allen [doen]; zij verwekken kinderen; maar zij doden hun kroost niet. Zij hebben een gemeenschappelijke tafel, maar geen gemeenschappelijk bed. Zij zijn in het vlees, maar zij leven niet naar het vlees. Zij brengen hun dagen op aarde door, maar zij zijn burgers van de hemel.” (vertaald uit het Engels) De brief aan Diognetus, hfdst. 5, in The Ante-Nicene Fathers, red. Alexander Roberts en James Donaldson, dl. 1 (Buffalo, NY: Christian Literature Publishing, 1885). “Zorgt er dan voor dat gij dikwijls samenkomt om God te danken en Zijn lof te verkondigen. Want wanneer gij dikwijls op dezelfde plaats bijeenkomt, worden de machten van satan vernietigd…” (vertaald uit het Engels) Ignatius van Antiochië, Brief aan de Efeziërs, hfdst. 13, in The Ante-Nicene Fathers, red. Alexander Roberts en James Donaldson, dl. 1 (Buffalo, NY: Christian Literature Publishing, 1885). ↩︎